Dag Sam, dag Siebe

“Waar groot versmelt met klein
onmacht zachtjes buigt
de tijd niet trekt noch zuigt
leer ik ootmoetig zijn”

Ja, ik zit op Tinder. “Gij?!” weergalmt het in mijn biotoop. Het is de biotoop van vrienden die –zoals het onze levensfase betaamt- huizen kopen, kinderen krijgen, lijntjes inkleuren. Ja, ik dus. Of ik dan op zoek ben. Nee, totaal niet. Enfin, jawel. Blijkbaar. Voor even vergeet ik dat de wereld rond is en leef ik belachelijk aan de oppervlakte. Levens rondom mij swipe ik weg op basis van uiterlijk. Karakteromschrijvingen verschijnen als ingrediënten op verpakkingen en beoordeel ik meestal als even schadelijk. Ik match met Jan en Piet, wissel wat blabla uit en word moe van lege woorden. O, ik weet het niet.

Ik sta op het punt de app van mijn telefoon te gooien, maar plots heb jij mijn aandacht. Sam. Je melancholische blik (“dat heb je mooi opgemerkt”) en hoe je met weinig woorden exact schrijft wat ik lezen wil. Wat je – naast fietsen, op buffels jagen wanneer we samen gaan kamperen en ik teksten voor jouw liedjes schrijf, voetbal kijken, zingen en al mijn Tinderideeën overhoop gooien– nóg kan, wil ik weten. “Ik kan op mijn vingers fluiten, verleidelijk in iemands ogen kijken, lanterfanten, ijsberen in de winter, kruiswoordpuzzels invullen, jou vragen om eens af te spreken, van de zon genieten.”

Je vraagt me om eens af te spreken. Ik vraag je of je van theater houdt. Of je meewil naar een voorstelling waar ik twee dagen later tickets voor heb. Dat wil je graag. De volgende dag schrijf je dat het helaas niet zal lukken. Jammer, want je had er zin in. We zoeken een nieuw moment, tasten af, maar er zit iets in de weg. Ik begrijp niet helemaal of je nu in Leuven of in Antwerpen woont, jij vertelt dat het wat moeilijk ligt. Ik zeg dat het oké is. Dat ik de tickets kan verzetten en naar Leuven kan komen. Je antwoordt dat het een hele puzzel wordt. Maar dat je het fijn vindt dat ik tot daar wil komen. Dat je in de knoop ligt met jezelf, maar Tinder niet het juiste medium is. Ik verzeker je dat ik als doorwinterde scouts niet terugdeins van wat knopen. Oh en, dat ook ik van puzzels hou.

De volgende dag, net voor ik de trein op stap, verplaats ik mijn tickets naar 7 november. Wie weet kunnen we dan binnenkort toch nog samen naar die voorstelling. Een uur later zit ik met een klein hartje in Leuven, eerst nog bij de vriendin waar ik ‘s nachts bij zal logeren. Ik vertel haar dat ik met jou heb afgesproken. Dat het bij voorbaat al verloren is, voeg ik er stellig aan toe. Ik krijg moeilijk uitgelegd waarom. Een gevoel? O, ik weet het niet.

Op wolkjes, maar ook op kousenvoeten, loop ik ’s avonds door de straten. Je stuurt op welk terras je zit. Onzeker schuifel ik dichterbij, maar ik weet dat jij het ook bent. Ik antwoord dat ik eraan kom. Oh en, dat je niet meer mag gaan lopen nu. Tot op de laatste minuut heb je getwijfeld te komen. Maar je bent er. Ik ben er. We drinken iets en praten. Je praat. Over dat je moeilijk praat. Over hoe lastig je het hebt met “gevoelens”. Over de therapie die je volgt, wat verderop in Kortenberg. Over dat je dus daarom door de week niet in Antwerpen bent. Ik luister. Ik praat. Zeg dat ik graag praat. Over de dingen, dit soort dingen. Je luistert. De tijd wil echter ook wat zeggen, roept zelfs. In Kortenberg verwachten ze je. Dus slenteren we richting busstation, lopen verkeerd en weten niet waarheen het gaat. Ik benoem het. Dat ik niet weet waarheen het gaat, en wat we elkaar te geven hebben. Maar dat we er zijn, jij en ik, hier en nu, en dat we dus allicht iets met elkaar uit te puzzelen hebben. Je kust me terwijl je bus al wegrijdt, krijgt hem ternauwernood nog gestopt.

De vriendin vraagt hoe het geweest is, twijfelend zeg ik goed. Het wás goed. Maar ook gek. Verwarrend. O, ik weet het niet.

Verwarrend blijft het. Een tweetal weken gedragen we ons alsof we een soort van relatie hebben. Beetje bij beetje kom ik meer over je te weten. Je toont me stukjes van een puzzel die danig overhoop ligt. Ik bied je stukjes van mezelf, heb geen idee of ze passen. Maar we geven het een kans. Het gaat lastig. Ik dring niet tot je door. En zo is het moeilijk puzzelen samen. Dus ik zeg het je. Dat ik me afvraag of het zin heeft, wat het ook is, dat wat er is. Samen besluiten we dat het niets zal worden. En terwijl ik opgelucht ben dat de verwachtingen weg zijn en we nu elk onze eigen kant weer uit kunnen, voel ik dat het niet volledig voorbij is. Dat dat kleine draadje er nog steeds hangt. Dat er nog steeds iets is wat we uit te zoeken hebben. Dus we blijven elkaar zien, doen een uitstap of een wandeling. Jij met je hoofd in je hoofd, je puzzel onder je arm, je moed aan je voeten. Ik met het geloof dat ik iets van je te leren heb. Maar o, ik weet het niet.

Op een zondag eind oktober lopen we langs de Schelde. Het gaat niet goed, zeg je, maar je zegt wel, en da’s goed. Je praat veel. Bent kwetsbaarder dan ooit. Je zegt dat je dankbaar bent voor het feit dat ik zo veel begrip voor je heb, en net dat begrijp ik niet. Dat dat toch evident is, zucht ik verbouwereerd. Nee, zeg je. Je eenzaamheid danst tussen ons in. Voor het eerst voel ik hoe diep je doolt. Hoe je alleen nog machteloos toe kan kijken terwijl de wereld om je heen je puzzel door elkaar zwiert. Eindeloos. Je ziet niet eens meer wat de kantjes zijn. Voor mijn deur vraag je of je nog even binnen mag. Je blijft niet eten, dat heb je thuis al gedaan. Ik toon je een fijn boek, maak soep voor mezelf, snij diep in mijn vinger, vloek, maar voel pas pijn wanneer ik omkijk. Stil zit je in mijn zetel, het boek naast je, je ogen toe. Vele Scheldes ver ben je. Net voor mijn soep klaar is, hoor ik je rechtstaan. Je gaat stillekes aan eens naar huis, zoals je alles stillekes aan lijkt te doen. Ik zeg dat je altijd welkom bent. Al was het maar voor een knuffel. We knuffelen. Ik denk aan de eerste keer waarop we dat deden. Hoe je toen zei dat het zo’n deugd deed. Hoe ik je eenzaamheid langs ons heen had voelen dansen.

Vier dagen later, ergens in de vroege avond, vraag je of ik nog wat tijd voor je heb. Dat heb ik. Om tien uur zit ik in je zetel. Alweer een moeilijke dag, zucht je. Nieuwe medicatie, paniekaanvallen, en dan dat monster van machteloosheid. Je wil controle maar hebt alleen nog angst. Angst om alles te verliezen. Omdat de wereld een vies spel met je speelt. En dat je daarom soms iedereen wantrouwt. Even later vraag ik hoe vaak je mij zo niet vertrouwt. “Vandaag nog”, zeg je dapper. “De hele wereld niet. Alweer.” Het ligt buiten jezelf, dat weet ik, en toch zeg ik dat het me pijn doet. Alsof ik iets af weet van pijn. En alsof het zin zou kunnen hebben, zeg ik dat ik enorm om je geef en het beste met je voor heb. Het hééft geen zin, dat weet ik. Toch ben ik blij dat ik het uitspreek. Het is laat. Er gaan nog wat woorden heen en weer, maar iets wezenlijks kunnen we niet meer zeggen. Ik vraag of ik nog iets voor je kan doen. Nee, dat kan ik niet. Je loopt mee naar de deur, ik neem je vast en wens je een rustige nacht. Ik zeg “tot gauw”. Ik hoor geen antwoord meer.

De volgende avond stuur je “Vaarwel!”. Je meent het. En o, ik weet het niet.

Het is 7 november. De dag waarnaar ik mijn tickets verplaatste voor de voorstelling waarbij ik je voor het eerst zou ontmoeten. De dag van je afscheidsdienst. Een prachtige ceremonie met massa’s getuigenissen over hoe ’n bijzonder man je was. Zo schenk je me toch nog een hoop puzzelstukjes. Stukjes Sam die ik nooit te zien kreeg. Stukjes Sam die ik kon voelen, maar nooit wist aan te raken. Latente levenslust.

Thuis weet ik geen blijf met mezelf. Uit mijn eigen puzzel is een stuk verdwenen, en ik weet niet wat te doen. Ik zet je foto op mijn salontafel en mezelf in de zetel. Daar waar jij zat terwijl ik in mijn vinger sneed. Het kussen heeft jouw afdruk nog. Voor het eerst in mijn leven begin ik te praten tegen een foto. Ik moet, want ik ben stuurloos. Hardop vraag ik je wat al dagen door mijn hoofd danst: “Waarom, Sam? Waarom kwam je op mijn pad? Wat deed ik op het jouwe, net voor je zelf de afrit nam? Wat was het dat ik met je uit te zoeken had? En waarom kon ik niet méér voor je doen? Oh toe, laat het iets zijn. Laat er iets zijn.” Ik kijk lang in je vastgelegde ogen, puzzel mezelf een soort van in elkaar en vertrek naar het theater.

Je antwoord krijg ik na de voorstelling. Siebe. 3,150 kilogram, 50 centimeter. Mijn wondermooie petekind. Wat groot was, wordt klein. Machteloos wordt nederig. En ergens valt er zachtjes… een puzzel in elkaar.

Lieve lieve Sam. Een diepe dankjewel. Voor je zachtheid. Je warme lach. Je kracht en openheid. En vooral: voor de wandeling op hetzelfde pad, waar ik nog vaak zal lopen in gedachten.

Lieve lieve kleine Siebe. Welkom. Op deze gekke, bijzondere wereld. Welkom op jouw pad. Ik weet nog niet waarheen het gaat, en wat we elkaar te geven hebben. Maar we zijn er, jij en ik, hier en nu, en we hebben allicht iets met elkaar uit te puzzelen. Ik ben er voor je. Je mag me vertrouwen, ik heb het allerbeste met je voor. Ik geef nu al zo ontzettend veel om je. En je bent al-tijd welkom. Al was het maar voor een knuffel.

Advertenties

10 gedachtes over “Dag Sam, dag Siebe

  1. wow lieve Ine, dit raakt me diep en laat een beetje voelen wat je voelt. Klein en groot, leven en dood… zo kort bij elkaar, ook in de tijd die niet bestaat. Sam die zo moeilijk woorden kon geven aan wat er in hem omging. Siebe die zijn verhaal woordeloos vertelt aan een meter die weinig woorden nodig heeft. Ook voor mij wordt de puzzel iets meer duidelijk na het verhaal dat Daniëlle gisteren deelde in de ziekenhuisgang. Jij en zij, 2 voelers bij elkaar!
    dank en respect om dit te delen.

  2. lieve lieve Ine,
    Van Tinder , over Scheldewandeling, uitgesteld theater, knuffels en korte bezoekjes….
    Van welkom voelen, zitten in de zetel met de ogen dicht, een pad bewandelen, een puzzel die zo moeilijk leek….
    Van “vaarwel” en de te vroege afslag nemen, naar Welkom kleine grote, lieve jongen. Naar dat puzzelstukje dat ontbrak…
    Wow Sam, jij hebt Ine echt wel kunnen beroeren, ontroeren , maar jouw uitweg, afslag brachten haar helemaal van slag.
    Lieve Siebe, Ik weet zeker dat jij net op tijd kwam: naast je fantastische liefhebbende ouders heb jij een geweldige lieve meter die zeker met jou zal puzzelen, in de zetel zitten met de ogen toe maar toch kijkend naar jou, waar de deur en het hart altijd zullen openstaan voor jou!
    Ik hoop dat Siebe je pijn kan verzachten.
    Ine, ook ik ben je dankbaar voor het delen van je verhaal, het openen van je hart.
    Liefs en een dikke, warme knuffel.

  3. Pingback: An (in)finite loop – Cafeine

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s